Vreemdelingenrecht
Bij besluit van 19 januari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie de vreemdeling een…
ECLI:NL:RVS:2025:1335 · Raad van State · 27 maart 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2025-1335
Zaakgegevens
Op 27 maart 2025 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 27 maart 2025
- Datum publicatie
- 27 maart 2025
- Zaaknummer
- 202501162/1/V3
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2025:1335
Samenvatting
Bij besluit van 19 januari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij uitspraak van 18 februari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Procesgang
Rechtbank Den Haag · 18 februari 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:2293Raad van State · 27 maart 2025deze uitspraak
ECLI:NL:RVS:2025:1335
Uitspraak
202501162/1/V3.
Datum uitspraak: 27 maart 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 februari 2025 in zaak nr. NL25.4642 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 19 januari 2025 heeft de minister de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 18 februari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E.J.L. van de Glind, advocaat in Heerlen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de vreemdeling toegang had tot medische voorzieningen. Dat, naar gesteld, de medische intake ongelukkig is verlopen en dat het op enig moment een paar dagen heeft geduurd voordat een arts beschikbaar was, is onderdeel van de feitelijke tenuitvoerlegging van de maatregel. Voor klachten hierover - voor zover die niet gaan over de medische behandeling als zodanig - kan de vreemdeling terecht bij de commissie van toezicht. Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:258, onder 4.2.1 en 4.4.2. Daarnaast kan een vreemdeling een klacht over medisch handelen in een inrichting bij de Medisch Adviseur bij het ministerie van Justitie en Veiligheid kenbaar maken. Zie artikel 71b en artikel 71c, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
w.g. Den Heyer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dallinga
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2025
18-1122