Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 2 december 2024 heeft de minister de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd…

Zaakgegevens

Op 31 maart 2025 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31 maart 2025
Datum publicatie
31 maart 2025
Zaaknummer
202500340/1/V3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:1373
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 2 december 2024 heeft de minister de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij uitspraak van 14 januari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep, voor zover gericht tegen de tenuitvoerlegging van de maatregel, gegrond verklaard en voor het overige ongegrond en de minister opgedragen de vreemdeling schadeloos te stellen.

Uitspraak

202500340/1/V3.

Datum uitspraak: 31 maart 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

1.       de minister van Asiel en Migratie,

2.       [de vreemdeling],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 januari 2025 in zaak nr. NL24.50289 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 2 december 2024 heeft de minister de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Bij uitspraak van 14 januari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep, voor zover gericht tegen de tenuitvoerlegging van de maatregel, gegrond verklaard en voor het overige ongegrond en de minister opgedragen de vreemdeling schadeloos te stellen.

Tegen deze uitspraak hebben de minister en de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. V. Senczuk, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

Het hoger beroep van de minister

1.       De minister komt terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat het JCS onder de omstandigheden ten tijde van de grensdetentie van de vreemdeling geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie meer was in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn en dat de tenuitvoerlegging van de grensdetentie daarom onrechtmatig is. De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:258, en 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:789.

1.1.    De grief slaagt.

Het hoger beroep van de vreemdeling

2.       De enige grief van de vreemdeling is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister hem schadeloos moet stellen als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van het EVRM. Hij betoogt dat hij, in plaats daarvan, recht heeft op schadevergoeding in de zin van artikel 106 van de Vw 2000. Daarmee zou hij een hoger geldbedrag ontvangen.

2.1.    Zoals de Afdeling onder 1 heeft overwogen, is de tenuitvoerlegging van de grensdetentie van de vreemdeling niet onrechtmatig. Hij heeft dus geen recht op schadeloosstelling of schadevergoeding.

2.2.    De grief faalt.

Conclusie

3.       Het hoger beroep van de minister is gegrond. Het hoger beroep van de vreemdeling is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken en de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de grensdetentie onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep van de minister gegrond;

II.       verklaart het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond;

III.      vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, van 14 januari 2025 in zaak nr. NL24.50289;

IV.     verklaart het beroep ongegrond;

V.      wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.

w.g. De Poorter

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Weber

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2025

846-1020