Vreemdelingenrecht
Bij besluit van 6 juli 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene…
Raad van State, 9 april 2025
ECLI:NL:RVS:2025:1524 · Raad van State · 9 april 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2025-1524
Zaakgegevens
Op 9 april 2025 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 9 april 2025
- Datum publicatie
- 7 april 2025
- Zaaknummer
- 202404744/1/V2
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2025:1524
Samenvatting
Bij besluit van 6 juli 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, geweigerd haar ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen en haar ambtshalve krachtens artikel 64 van de Vw 2000 voorlopig uitstel van vertrek verleend.
Procesgang
Rechtbank Den Haag · 5 juli 2024
ECLI:NL:RBDHA:2024:10527Raad van State · 9 april 2025deze uitspraak
ECLI:NL:RVS:2025:1524
Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Uitspraak
202404744/1/V2.
Datum uitspraak: 9 april 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 5 juli 2024 in zaken nrs. NL21.12206 en NL22.7337 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 6 juli 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, geweigerd haar ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen en haar ambtshalve krachtens artikel 64 van de Vw 2000 voorlopig uitstel van vertrek verleend.
Bij besluit van 23 december 2021 heeft de staatssecretaris geweigerd betrokkene ambtshalve uitstel van vertrek krachtens artikel 64 van de Vw 2000 te verlenen.
Bij besluit van 14 april 2022 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 5 juli 2024 heeft de rechtbank de tegen de besluiten van 6 juli 2021 en 14 april 2022 door betrokkene ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. E. Derksen, advocaat in Velp, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De minister heeft nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1. Bij besluit van 28 oktober 2024 heeft de minister de asielaanvraag van betrokkene ingewilligd. Dit betekent dat betrokkene een verblijfsrecht heeft en dat zij dus in Nederland mag blijven. Daarom hebben de door de minister in het hogerberoepschrift bestreden overwegingen van de rechtbank over het uitstel van vertrek geen praktische betekenis meer. Daarom heeft de minister geen belang meer bij een beoordeling van haar hogerberoepschrift. De Afdeling ziet in dit specifieke geval in de door de minister gestelde precedentwerking van de overwegingen van de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.D. Salverda, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Salverda
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2025
992