Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 17 maart 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant…

Raad van State, 23 april 2025

Zaakgegevens

Op 23 april 2025 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23 april 2025
Datum publicatie
17 april 2025
Zaaknummer
202403362/1/V2
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:1766
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 17 maart 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 22 mei 2024

    ECLI:NL:RBDHA:2024:7681
  2. Raad van State · 23 april 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2025:1766

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

202403362/1/V2.

Datum uitspraak: 23 april 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 22 mei 2024 in zaak nr. NL22.17816 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 1 september 2022, aangevuld bij brief van 21 maart 2024, heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 mei 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. I. Özkara, advocaat in Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

1.1.    Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die de Afdeling eerder heeft beantwoord (uitspraak van 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:734, onder 5.1, over de stukken en informatie die de minister van een Turkse vreemdeling mag verlangen, voordat zij de aanvraag voor advies aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland voorlegt). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.

2.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier.

w.g. Ristra-Peeters

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Graat

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2025

307-1088