Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 2 november 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vastgesteld dat…

Zaakgegevens

Op 6 mei 2025 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
6 mei 2025
Datum publicatie
6 mei 2025
Zaaknummer
202301725/1/V3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:2014
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 2 november 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vastgesteld dat appellant geen duurzaam verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland meer heeft.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 17 februari 2023

    ECLI:NL:RBDHA:2023:2358
  2. Raad van State · 6 mei 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2025:2014

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

202301725/1/V3.

Datum uitspraak: 6 mei 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 17 februari 2023 in zaak nr. NL21.11839 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 2 november 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vastgesteld dat appellant geen duurzaam verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland meer heeft.

Bij besluit van 22 juni 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 februari 2023 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. I. Petkovski, advocaat in Apeldoorn, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 6 tot en met 7, 8.1 en 9 van de uitspraak van de rechtbank over.

1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.

w.g. Drop

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Weber

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2025

846