Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 11 maart 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

Zaakgegevens

Op 8 mei 2025 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
8 mei 2025
Datum publicatie
8 mei 2025
Zaaknummer
202501797/1/V3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:2111
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 11 maart 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 26 maart 2025

    ECLI:NL:RBDHA:2025:4940
  2. Raad van State · 8 mei 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2025:2111

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

202501797/1/V3.

Datum uitspraak: 8 mei 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 26 maart 2025 in zaak nr. NL25.12075 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 26 maart 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 6 van de uitspraak van de rechtbank over.

1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.       De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.

w.g. De Poorter

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Vos

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2025

644-1161