Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 10 oktober 2023 heeft de minister van Buitenlandse Zaken een aanvraag om appellant 1 een…

Raad van State, 25 juni 2025

Zaakgegevens

Op 25 juni 2025 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25 juni 2025
Datum publicatie
25 juni 2025
Zaaknummer
202502955/1/V1
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:2817
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 10 oktober 2023 heeft de minister van Buitenlandse Zaken een aanvraag om appellant 1 een visum voor kort verblijf te verlenen, afgewezen.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 24 april 2025

    ECLI:NL:RBDHA:2025:6747
  2. Raad van State · 25 juni 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2025:2817

    Niet bevoegd

Uitspraak

202502955/1/V1.

Datum uitspraak: 25 juni 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant 1] en [appellant 2],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 april 2025 in zaak nr. NL24.25974 in het geding tussen:

appellant 1

en

de minister van Buitenlandse Zaken.

Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2023 heeft de minister een aanvraag om appellant 1 een visum voor kort verblijf te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 8 juli 2024 heeft de minister het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 april 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant 1 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. H.H.R. Bruggeman, advocaat in Leiderdorp, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       De uitspraak van de rechtbank gaat over een visum voor een verblijf van 90 dagen of minder. Hiertegen kan geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 84, aanhef en onder b, van de Vw 2000).

1.1.    Wat appellanten in hoger beroep aanvoeren, is geen reden om het hoger beroep toch in behandeling te nemen. Het verbod op hoger beroep kan alleen worden doorbroken als er geen eerlijk proces is geweest. Dat doet zich hier niet voor.

2.       De Afdeling is onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.

w.g. Sevenster

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Pronk

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2025

1028