Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 13 februari 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 3 maart…

Zaakgegevens

Op 30 juni 2025 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30 juni 2025
Datum publicatie
30 juni 2025
Zaaknummer
202501351/1/V3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:2911
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 13 februari 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 3 maart 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S.L. Sarin, advocaat in Zaandam, hoger beroep ingesteld.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 3 maart 2025

    ECLI:NL:RBDHA:2025:3497
  2. Raad van State · 30 juni 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2025:2911

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

Uitspraak

202501351/1/V3.

Datum uitspraak: 30 juni 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 3 maart 2025 in zaak nr. NL25.7230 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 3 maart 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S.L. Sarin, advocaat in Zaandam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       Wat appellant in de eerste grief heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.       Appellant klaagt in de tweede grief terecht dat de rechtbank de minister ten onrechte niet heeft veroordeeld in de door hem gemaakte proceskosten. De rechtbank heeft een gebrek aangenomen en heeft dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd. Gelet op de toepassing van artikel 6:22 van de Awb had de rechtbank de minister moeten veroordelen tot vergoeding van de bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten. De grief slaagt.

3.       De Afdeling ziet ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover de rechtbank de minister niet heeft veroordeeld tot vergoeding van de bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten. De uitspraak wordt voor het overige bevestigd. De minister moet de proceskosten vergoeden.  

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 3 maart 2025 in zaak nr. NL25.7230, voor zover de rechtbank de minister van Asiel en Migratie niet heeft veroordeeld tot vergoeding van de bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten;

III.      bevestigt die uitspraak voor het overige;

IV.     veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van de bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.721,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier.

w.g. Den Heyer

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Nederhoff

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2025

918-1086