Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 24 oktober 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een…

Zaakgegevens

Op 9 juli 2025 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
9 juli 2025
Datum publicatie
9 juli 2025
Zaaknummer
202501918/1/V1
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:3080
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 24 oktober 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 5 maart 2025

    ECLI:NL:RBDHA:2025:3289
  2. Raad van State · 9 juli 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2025:3080

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

202501918/1/V1.

Datum uitspraak: 9 juli 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 5 maart 2025 in zaken nrs. NL24.45850 en NL25.4281 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 24 oktober 2024 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.

Bij besluit van 21 januari 2025 heeft de minister de motivering van het besluit aangevuld.

Bij uitspraak van 5 maart 2025 heeft de rechtbank het tegen het besluit van 24 oktober 2024 door appellant ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het tegen het besluit van 21 januari 2025 door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. H. Meijerink, advocaat in Assen, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

1.1.    Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3992, onder 7.2 en 7.3, over het betrekken van leeftijdsregistraties in een andere lidstaat van de Europese Unie bij de beoordeling van de leeftijd van een vreemdeling). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.

2.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.

w.g. Den Heyer

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Mercelina

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2025

938-1162