Vreemdelingenrecht

Bij besluiten van 10 oktober 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van betrokkenen om hun…

Raad van State, 28 juli 2025

Zaakgegevens

Op 28 juli 2025 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28 juli 2025
Datum publicatie
24 juli 2025
Zaaknummer
BRS.25.000607
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:3476
E-mail

Samenvatting

Bij besluiten van 10 oktober 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van betrokkenen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Uitspraak

BRS.25.000607

ECLI:NL:RVS:2025:3476

Datum uitspraak: 28 juli 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,

appellant,

tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 8 mei 2025 in zaken nrs. NL24.41886 en NL24.41884 in de gedingen tussen:

[betrokkene 1] en [betrokkene 2]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluiten van 10 oktober 2024 heeft de minister aanvragen van betrokkenen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraken van 8 mei 2025 heeft de rechtbank de daartegen door betrokkenen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van de uitspraken.

Tegen deze uitspraken heeft de minister hoger beroep ingesteld.

Betrokkenen, vertegenwoordigd door mr. R. Deniz, advocaat in Breda, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Betrokkenen hebben een nader stuk ingediend.

Overwegingen

1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraken van de rechtbank. Bij uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153, heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister de beoordeling in het beleid in paragraaf C7/19.4.2 van de Vc 2000 of in Jemen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Bij deze beoordeling zijn namelijk niet alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking genomen. Gelet op deze uitspraak van de Afdeling, onder 4.2, 6 en 6.1, heeft de rechtbank dus terecht overwogen dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd hoe zij de slechte humanitaire situatie in Jemen in combinatie met de andere door betrokkenen overgelegde informatie over het actuele geweldsniveau en andere relevante omstandigheden weegt in de beoordeling in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.

1.1.        De grieven slagen niet.

2.        Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraken van de rechtbank. De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de aangevallen uitspraken;

II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkenen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Huizer, griffier.

w.g. Wissels

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Huizer

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2025

987