Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 13 december 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie de vreemdeling opgedragen de…

Raad van State, 30 januari 2025

Zaakgegevens

Op 30 januari 2025 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30 januari 2025
Datum publicatie
30 januari 2025
Zaaknummer
202500040/1/V3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:360
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 13 december 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Bij besluit van dezelfde datum heeft de minister de vreemdeling in bewaring gesteld.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 27 december 2024

    ECLI:NL:RBDHA:2024:22142
  2. Raad van State · 30 januari 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2025:360

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

202500040/1/V3.

Datum uitspraak: 30 januari 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 27 december 2024 in zaken nrs. NL24.50533 en NL24.50570 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2024 heeft de minister de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Bij besluit van dezelfde datum heeft de minister de vreemdeling in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 27 december 2024 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdeling ingestelde beroepen ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H.K. Westerhof, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 3 en 7 van de uitspraak van de rechtbank over.

1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.       De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.

w.g. Willems

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Vos

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2025

644-1111