Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 13 november 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkene in bewaring gesteld.

Zaakgegevens

Op 6 augustus 2025 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
6 augustus 2025
Datum publicatie
6 augustus 2025
Zaaknummer
v
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:3672
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 13 november 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkene in bewaring gesteld.

Uitspraak

202407490/1/V3.

Datum uitspraak: 6 augustus 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 5 december 2024 in zaak nr. NL24.45123 in het geding tussen:

[betrokkene]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 13 november 2024 heeft de minister betrokkene in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 5 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. S.T.V. Le, advocaat in Rotterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

1.       De minister komt terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat het zicht op uitzetting naar Libië binnen een redelijke termijn ontbreekt. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3070.

1.1.    De grief slaagt.

2.       Het hoger beroep van de minister is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken en de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de bewaring onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 5 december 2024 in zaak nr. NL24.45123;

III.      verklaart het beroep ongegrond;

IV.      wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.

w.g. Kuijer

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Meurs-Heuvel

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2025

47-1085