Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 30 mei 2025 heeft de minister appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij…

Zaakgegevens

Op 22 september 2025 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22 september 2025
Datum publicatie
17 september 2025
Zaaknummer
BRS.25.000718
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:4444
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 30 mei 2025 heeft de minister appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij mondelinge uitspraak van 16 juni 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. D. van Elp, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Uitspraak

BRS.25.000718

ECLI:NL:RVS:2025:4444

Datum uitspraak: 22 september 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 16 juni 2025 in zaak nr. NL25.24434 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2025 heeft de minister appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Bij mondelinge uitspraak van 16 juni 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. D. van Elp, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 1.2 en 3 van de uitspraak van de rechtbank over.

1.1.        Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.        De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier.

w.g. De Poorter

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Kraak

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 september 2025

1020