Vreemdelingenrecht

Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om een…

Zaakgegevens

Op 19 september 2025 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19 september 2025
Datum publicatie
22 september 2025
Zaaknummer
202406479/1/V1
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:4479
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen. Bij uitspraak van 24 september 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard en bepaald dat de minister van Asiel en Migratie voor 1 maart 2025 alsnog een besluit op de aanvraag bekendmaakt.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 24 september 2024

    ECLI:NL:RBDHA:2024:15179
  2. Raad van State · 19 september 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2025:4479

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

Uitspraak

202406479/1/V1.

Datum uitspraak: 19 september 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[appellant 1], [appellant 2], [appellant 3], [appellant 4] en [appellant 5],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 24 september 2024 in zaak nr. NL24.11080 in het geding tussen:

appellanten

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen.

Bij uitspraak van 24 september 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard en bepaald dat de minister voor 1 maart 2025 alsnog een besluit op de aanvraag bekendmaakt.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. S. Kalu-Mollema, advocaat in Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       Appellanten klagen in hun enige grief terecht dat de rechtbank ten onrechte een beslistermijn heeft opgelegd van 90 dagen, gerekend vanaf het moment dat de minister de aanvraag volgens het ‘first in, first out’-principe inhoudelijk in behandeling neemt. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 11 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4361, onder 4.3, is zo’n beslistermijn in strijd met de strekking van artikel 8:55d van de Awb en biedt deze niet de beoogde rechtsbescherming van het recht in artikel 5, vierde lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn.

2.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover zij de minister heeft opgedragen om voor 1 maart 2025 alsnog een besluit bekend te maken. De Afdeling zal dit vervangen door een nadere termijn van vier weken na de dag van verzending van de uitspraak van de rechtbank, door acht weken als de minister gelegenheid tot herstel van verzuimen aanbiedt, door zestien weken als zij nader onderzoek aanbiedt en door twintig weken als zij zowel gelegenheid tot herstel van verzuimen als nader onderzoek aanbiedt. De minister moet de proceskosten vergoeden.

3.      

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 24 september 2024 in zaak nr. NL24.11080, voor zover zij de minister van Asiel en Migratie heeft opgedragen om voor 1 maart 2025 alsnog een besluit bekend te maken;

III.      vervangt de termijn in die uitspraak door vier weken na verzending van die uitspraak, door acht weken als de minister van Asiel en Migratie gelegenheid tot herstel van verzuimen aanbiedt, door zestien weken als zij nader onderzoek aanbiedt en door twintig weken als zij zowel gelegenheid tot herstel van verzuimen als nader onderzoek aanbiedt;

IV.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.K. de Keizer, griffier.

w.g. Sevenster

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. De Keizer

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 september 2025

574-1060