Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 2 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van…

Raad van State, 30 september 2025

Zaakgegevens

Op 30 september 2025 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30 september 2025
Datum publicatie
30 september 2025
Zaaknummer
202401540/1/V3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:4619
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 2 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 1 maart 2024

    ECLI:NL:RBDHA:2024:2551
  2. Raad van State · 30 september 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2025:4619

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

Uitspraak

202401540/1/V3.

Datum uitspraak: 30 september 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 maart 2024 in zaak nr. NL24.3911 in het geding tussen:

[betrokkene]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 1 maart 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. B.J.P.M. Ficq, advocaat in Haarlem, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

1.       De minister komt in haar enige grief terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat zij niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn Tanzaniaanse paspoort op frauduleuze wijze is verkregen. In de uitspraak van 14 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1071, onder 4, heeft de Afdeling uiteengezet wat van een vreemdeling verwacht mag worden om aannemelijk te maken dat zijn paspoort op frauduleuze wijze is verkregen. Uit het dossier blijkt niet dat betrokkene, in lijn met de in die uitspraak gestelde eisen, aannemelijk heeft gemaakt dat hij alles waar hij redelijkerwijs toe in staat is, heeft gedaan om dit aan te tonen.

1.1.    De grief slaagt.

2.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 maart 2024 in zaak nr. NL24.3911;

III.      verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.P. Vermeulen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier.

w.g. Vermeulen

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Kraak

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2025

1020