Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 6 mei 2013 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende…

Zaakgegevens

Op 3 oktober 2025 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
3 oktober 2025
Datum publicatie
3 oktober 2025
Zaaknummer
202401042/1/V3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:4736
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 6 mei 2013 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken. Bij besluit van 16 maart 2015 heeft de staatssecretaris een herhaalde aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 14 november 2021 heeft de staatssecretaris een verzoek van appellant om bestuurlijke heroverweging van de besluiten van 6 mei 2013 en 16 maart 2015, afgewezen. Bij besluit van 10 september 2023 heeft de staatssecretaris het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 14 november 2021 ongegrond verklaard.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 18 januari 2024

    ECLI:NL:RBDHA:2024:13679
  2. Raad van State · 3 oktober 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2025:4736

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

202401042/1/V3.

Datum uitspraak: 3 oktober 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 18 januari 2024 in zaak nr. NL22.25501 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 6 mei 2013 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken. Bij besluit van 16 maart 2015 heeft de staatssecretaris een herhaalde aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 14 november 2021 heeft de staatssecretaris een verzoek van appellant om bestuurlijke heroverweging van de besluiten van 6 mei 2013 en 16 maart 2015, afgewezen.

Bij besluit van 10 september 2023 heeft de staatssecretaris het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 14 november 2021 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 januari 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. I. Petkovski, advocaat in Apeldoorn, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 5.1 van de uitspraak van de rechtbank over.

1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van S. van Dijk LLM, griffier.

w.g. Meijer

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Dijk

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2025

967