Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 8 november 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant opgedragen de Europese Unie…

Raad van State, 6 oktober 2025

Zaakgegevens

Op 6 oktober 2025 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
6 oktober 2025
Datum publicatie
6 oktober 2025
Zaaknummer
202502661/1/V3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:4759
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 8 november 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen haar uitgevaardigd.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 26 maart 2025

    ECLI:NL:RBDHA:2025:5115
  2. Raad van State · 6 oktober 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2025:4759

    Niet ontvankelijk

Uitspraak

202502661/1/V3.

Datum uitspraak: 6 oktober 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 26 maart 2025 in zaak nr. NL24.47412 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2024 heeft de minister appellant opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen haar uitgevaardigd.

Bij uitspraak van 26 maart 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.M. van der Marel, advocaat in Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

De rechtbank heeft op verzoek van de Afdeling schriftelijke inlichtingen gegeven.

Overwegingen

1.       De termijn voor het instellen van hoger beroep eindigde op 24 april 2025. Het hogerberoepschrift is daarna bij de Raad van State binnengekomen. Appellant heeft het hogerberoepschrift daarom niet op tijd ingediend. De gemachtigde van appellant betoogt in het hogerberoepschrift dat het hoger beroep ontvankelijk is, omdat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Hij betoogt dat hij geen notificatie heeft ontvangen dat de uitspraak aan het digitaal systeem voor gegevensverwerking van de rechtspraak, bedoeld in artikel 8:36c van de Awb (hierna: Mijn Rechtspraak) was toegevoegd. Nadat gemachtigde op 30 april 2025 een notificatie ontving dat het dossier werd afgesloten, heeft hij voor het eerst kennis kunnen nemen van de uitspraak, waarna hij het hogerberoepschrift naar eigen zeggen zo spoedig mogelijk heeft ingediend.

2.       Op verzoek van de Afdeling heeft de rechtbank onderzocht op welke datum de uitspraak in Mijn Rechtspraak is geplaatst en op welke datum daarvan een notificatie is verzonden. Uit het door de rechtbank toegezonden rapport van technisch onderzoek van 14 augustus 2025 blijkt dat de uitspraak op 26 maart 2025 in Mijn Rechtspraak is geplaatst en dat op dezelfde dag een notificatie van plaatsing van de uitspraak is verzonden naar de gemachtigde. Het rapport vermeldt ook dat op 26 maart 2025 geen verstoringen geregistreerd zijn.

2.1.    De gemachtigde is in de gelegenheid gesteld op het onderzoek van de rechtbank te reageren. Daarvan heeft hij geen gebruik gemaakt. Gelet hierop gaat de Afdeling ervan uit dat de uitspraak op 26 maart 2025 in Mijn Rechtspraak is geplaatst en dat op dezelfde dag daarvan een notificatie is verstuurd. Omdat uit het rapport ook blijkt dat er op 26 maart 2025 geen verstoringen geregistreerd zijn, is de termijnoverschrijding niet verschoonbaar.

3.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.S. Jiawan, griffier.

w.g. Sevenster

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Jiawan

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2025

1017