Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 16 december 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie van Asiel een aanvraag van appellant…

Zaakgegevens

Op 29 oktober 2025 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29 oktober 2025
Datum publicatie
29 oktober 2025
Zaaknummer
202500263/1/V3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:5172
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 16 december 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie van Asiel een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 7 januari 2025

    ECLI:NL:RBDHA:2025:183
  2. Raad van State · 29 oktober 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2025:5172

    Niet bevoegd

Uitspraak

202500263/1/V3.

Datum uitspraak: 29 oktober 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 7 januari 2025 in zaak nr. NL24.50511 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2024 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 7 januari 2025 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het verzoek van appellant om een voorlopige voorziening te treffen, toegewezen en bepaald dat appellant niet mag worden overgedragen totdat is beslist op het beroep.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. P.H. Hillen, advocaat in Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Overwegingen

1.       Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank, als bedoeld in artikel 8:84, eerste lid, van de Awb. Uit artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awb volgt echter dat er geen hoger beroep openstaat tegen een dergelijke uitspraak. Van die bepaling kan alleen worden afgeweken als sprake is van een schending van fundamentele rechtsbeginselen, waardoor appellant geen eerlijk en onafhankelijk proces heeft gehad. Uit wat appellant aanvoert, blijkt niet dat daarvan sprake is.

2.       De Afdeling is onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.A. de Jong, griffier.

w.g. Sevenster

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. De Jong

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2025

981