Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 18 september 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van…

Zaakgegevens

Op 3 november 2025 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
3 november 2025
Datum publicatie
3 november 2025
Zaaknummer
202406005/1/V1
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:5258
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 18 september 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 29 augustus 2024

    ECLI:NL:RBDHA:2024:23094
  2. Raad van State · 3 november 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2025:5258

Uitspraak

202406005/1/V1.

Datum uitspraak: 3 november 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 augustus 2024 in zaak nr. NL23.32454 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 29 augustus 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S. Oukil, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 14 februari 2025 heeft de minister de aanvraag van appellant opnieuw afgewezen.

Appellant heeft daartegen beroepsgronden ingediend.

Overwegingen

Hoger beroep

1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beroep van rechtswege

3.       Het besluit van 14 februari 2025 wordt, gelet op artikel 6:19, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Bij dit besluit heeft de minister de asielaanvraag van appellant opnieuw afgewezen. Appellant heeft daartegen op 26 maart 2025 gronden aangevoerd die de rechtbank nog niet heeft beoordeeld. Om verlies van instantie te voorkomen, verwijst de Afdeling in dit geval de beslissing op het van rechtswege ontstane beroep krachtens artikel 6:19, vijfde lid, van de Awb, ter behandeling naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.       verwijst het beroep tegen het besluit van 14 februari 2025, V-290.876.3686, V-290.876.3720 en V-290.876.3758, naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.K. de Keizer, griffier.

w.g. Van Breda

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. De Keizer

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2025

716-1095