Vreemdelingenrecht

Referent heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om een machtiging…

Raad van State, 3 november 2025

Zaakgegevens

Op 3 november 2025 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
3 november 2025
Datum publicatie
3 november 2025
Zaaknummer
202500503/1/V1
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:5265
E-mail

Samenvatting

Referent heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: een mvv) te verlenen. Bij uitspraak van 31 december 2024 heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd, bepaald dat de minister vóór 30 november 2025 alsnog een besluit op de mvv-aanvraag bekendmaakt en dat de minister een dwangsom moet betalen van € 100,00 voor elke dag dat de minister deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,00. Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. D. de Vries, advocaat in Leeuwarden, hoger beroep ingesteld.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 31 december 2024

    ECLI:NL:RBDHA:2024:22233
  2. Raad van State · 3 november 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2025:5265

Uitspraak

202500503/1/V1.

Datum uitspraak: 3 november 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[appellant A], [appellant B], [appellant C] en [appellant D],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 31 december 2024 in zaak nr. NL24.35415 in het geding tussen:

appellanten

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Referent heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: een mvv) te verlenen.

Bij uitspraak van 31 december 2024 heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd, bepaald dat de minister vóór 30 november 2025 alsnog een besluit op de mvv-aanvraag bekendmaakt en dat de minister een dwangsom moet betalen van € 100,00 voor elke dag dat de minister deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,00.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. D. de Vries, advocaat in Leeuwarden, hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 2 mei 2025 heeft de minister een mvv verleend.

Overwegingen

1.       Het hoger beroep van appellanten gaat uitsluitend over de duur van de door de rechtbank bepaalde beslistermijn voor het nemen van een besluit op de mvv-aanvraag in het kader van nareis.

2.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. Met de door de minister verleende mvv, hebben appellanten bereikt wat zij met de mvv-aanvraag beogen. Daarom hebben zij geen belang bij de beoordeling van het hoger beroep.

3.       Niettemin zal de Afdeling beoordelen of zij de minister met toepassing van artikel 8:75 van de Awb tot vergoeding van de proceskosten moet veroordelen. Daarvoor kan aanleiding bestaan als de minister aan appellanten tegemoet is gekomen of als het belang anderszins door haar toedoen is vervallen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:570, onder 4).

4.       Het belang bij de beoordeling van het hoger beroep is vervallen doordat de minister een mvv heeft verleend. Daarmee is de minister aan appellanten tegemoetgekomen. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.

5.       De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden. Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de mvv aanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

II.       veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 453,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Jongeneel, griffier.

w.g. Ristra-Peeters

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Jongeneel

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2025

958