Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 22 februari 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om de…

Zaakgegevens

Op 13 februari 2025 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13 februari 2025
Datum publicatie
13 februari 2025
Zaaknummer
202203343/1/V1
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:567
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 22 februari 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Uitspraak

202203343/1/V1.

Datum uitspraak: 13 februari 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-­Hertogenbosch, van 11 mei 2022 in zaak nr. NL21.15731 in het geding tussen:

de vreemdelingen

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 10 september 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 mei 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. R.H.T. van Boxmeer, advocaat in 's-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       De vreemdelingen klagen in de tweede grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat de minister de hoorplicht niet heeft geschonden. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, onder 5 tot en met 5.2, is het uitgangspunt dat de minister een vreemdeling hoort in bezwaar en moet hij terughoudend omgaan met uitzonderingen op zijn hoorplicht. Dit uitgangspunt geldt te meer in zaken waarin er beslissingsruimte is en het besluit sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, en waarbij de minister een individuele belangenafweging moet maken. Gelet op alles wat de vreemdelingen in bezwaar hebben aangevoerd, bezien vanuit de onder 5.2 van die uitspraak genoemde gezichtspunten, kon de minister in dit geval redelijkerwijs niet tot het oordeel komen dat het bezwaar ongegrond was zonder de vreemdelingen in de gelegenheid te stellen gehoord te worden over de aanvraag. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De grief slaagt.

2.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig wat de vreemdelingen verder hebben aangevoerd te bespreken. Het beroep is gegrond en het besluit van 10 september 2021 wordt vernietigd. De minister moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's­-Hertogenbosch, van 11 mei 2022 in zaak nr. NL21.15731;

III.      verklaart het beroep gegrond;

IV.     vernietigt het besluit van 10 september 2021, V-[…], V-[…], V-[…] en V-[…];

V.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.721,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.     gelast dat de minister van Asiel en Migratie aan de vreemdelingen het door hen voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 455,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.

w.g. Lange

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Pronk

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2025

1028