Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 22 april 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellanten…

Zaakgegevens

Op 5 maart 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
5 maart 2026
Datum publicatie
5 maart 2026
Zaaknummer
202404005/1/V3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1280
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 22 april 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellanten verleende verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd ingetrokken.

Uitspraak

202404005/1/V3.

Datum uitspraak: 5 maart 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:

[appellant A], [appellant B] en mede voor hun minderjarige kinderen,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 3 juni 2024 in zaak nr. NL21.19974 in het geding tussen:

appellanten

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellanten verleende verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd ingetrokken.

Bij besluit van 25 november 2021, aangevuld bij besluit van 30 november 2022, heeft de staatssecretaris het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 juni 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 25 november 2021 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. J.E. Jalandoni, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.       Gelet op wat de Afdeling onder 1 heeft overwogen, ziet zij geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:47 van de Awb een deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek.

3.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.C.M. van Trappen, griffier.

w.g. De Poorter

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Trappen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026

985