Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 14 augustus 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van…

Raad van State, 22 april 2026

Zaakgegevens

Op 22 april 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22 april 2026
Datum publicatie
20 april 2026
Zaaknummer
BRS.26.001249
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2192
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 14 augustus 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, afgewezen.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 30 januari 2026

    ECLI:NL:RBDHA:2026:24871
  2. Raad van State · 22 april 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2026:2192

Uitspraak

BRS.26.001249

ECLI:NL:RVS:2026:2192

Datum uitspraak: 22 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 30 januari 2026 in zaken nrs. 24/6720 en 24/18109 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 14 augustus 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, afgewezen.

Bij besluit van 18 maart 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Op 25 juli 2024 heeft de minister op het verblijfsdocument van appellant de arbeidsmarktaantekening ‘arbeid niet toegestaan’ geplaatst.

Bij besluit van 17 oktober 2024 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 januari 2026 heeft de rechtbank de tegen de besluiten van 18 maart 2024 en 17 oktober 2024 door appellant ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door R.K. Polo Guardo, rechtsbijstandverlener in Den Haag, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.        De termijn voor het instellen van het hoger beroep eindigde op 27 februari 2026. Het hogerberoepschrift is daarna bij de Raad van State binnengekomen. Appellant heeft het hoger beroepschrift daarom niet op tijd ingediend. Wat appellant heeft aangevoerd, is geen reden om het hoger beroep alsnog in behandeling ten nemen.

2.        Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.

w.g. Sevenster

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Tibold

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026

853-1143