Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 7 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

Raad van State, 23 april 2026

Zaakgegevens

Op 23 april 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23 april 2026
Datum publicatie
21 april 2026
Zaaknummer
BRS.26.001456
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2212
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 7 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 24 maart 2026

    ECLI:NL:RBDHA:2026:8370
  2. Raad van State · 23 april 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2026:2212

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

BRS.26.001456

ECLI:NL:RVS:2026:2212

Datum uitspraak: 23 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 24 maart 2026 in zaak nr. NL26.13546 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 24 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht geoordeeld dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn geen vereiste is voor een bewaringsmaatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Dit onderdeel is een omzetting van artikel 8, derde lid, aanhef en onder b, van de Opvangrichtlijn. Uit deze richtlijn noch andere Unierechtelijke regelgeving volgt dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn een vereiste is voor een bewaringsmaatregel die niet op uitzetting is gericht.

1.1.        Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

1.2.        Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift verder geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.        De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier.

w.g. De Poorter

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Schipper

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026

872-1086