Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 24 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant opgedragen de Europese Unie…

Zaakgegevens

Op 23 april 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23 april 2026
Datum publicatie
21 april 2026
Zaaknummer
BRS.26.000125
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2225
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 24 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 15 december 2025

    ECLI:NL:RBDHA:2025:26007
  2. Raad van State · 23 april 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2026:2225

    Niet ontvankelijk

Uitspraak

BRS.26.000125

ECLI:NL:RVS:2026:2225

Datum uitspraak: 23 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 15 december 2025 in zaak nr. NL24.7507 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 24 juli 2025 heeft de minister appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten.

Bij uitspraak van 15 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R.W.J.L. Loonen, advocaat in Sittard, hoger beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft appellant zich nader uitgelaten.

Overwegingen

1.        De termijn voor het instellen van het hoger beroep eindigde op 12 januari 2026. Op die dag heeft appellant aan de Afdeling alleen de aangevallen uitspraak toegestuurd. Appellant is daar telefonisch op gewezen. Het hogerberoepschrift is pas op 13 januari 2026 bij de Raad van State binnengekomen. Appellant heeft het hoger beroepschrift daarom niet op tijd ingediend. In wat appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen reden om het hoger beroep toch in behandeling te nemen. Er doen zich in dit geval geen Bahaddar-omstandigheden voor als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664.

2.        Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van S. van Dijk LLM, griffier.

w.g. Sevenster

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Dijk

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026

967