Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 3 januari 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning…

Raad van State, 23 april 2026

Zaakgegevens

Op 23 april 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23 april 2026
Datum publicatie
21 april 2026
Zaaknummer
BRS.25.000863
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2227
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 3 januari 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 9 juli 2025

    ECLI:NL:RBDHA:2025:12407
  2. Raad van State · 23 april 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2026:2227

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

BRS.25.000863

ECLI:NL:RVS:2026:2227

Datum uitspraak: 23 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 9 juli 2025 in zaak nr. NL25.621 in het geding tussen:

appellant

 

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 9 juli 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. B.G. Smouter, advocaat in Arnhem, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een nader stuk ingediend.

Overwegingen

1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

1.1.        Het hoger beroep gaat onder meer over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 16 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1431, onder 4.3 tot en met 4.5, over de betekenis van de tekst achter het eerste bolletje onder het kopje "Discretionaire bepalingen" in paragraaf C2/5 van de Vc 2000). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.

1.2.        Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).

2.        Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J. Schipper-Spanninga, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

w.g. Nederhoff

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026

1137-918