Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 8 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

Raad van State, 23 april 2026

Zaakgegevens

Op 23 april 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23 april 2026
Datum publicatie
21 april 2026
Zaaknummer
BRS.26.001511
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2232
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 8 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 23 maart 2026

    ECLI:NL:RBDHA:2026:8549
  2. Raad van State · 23 april 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2026:2232

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

BRS.26.001511

ECLI:NL:RVS:2026:2232

Datum uitspraak: 23 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 23 maart 2026 in zaak nr. NL26.13184 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 23 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. V. Senczuk, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de minister extra moest motiveren waarom appellant bij aanvang van zijn inbewaringstelling de nacht heeft moeten doorbrengen in een politiecel. Appellant is immers binnen 24 uur overgebracht naar detentiecentrum Rotterdam. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 13 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1813, onder 4.2, is het verblijf van appellant in de politiecel daardoor niet in strijd met artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn.

1.1.        Uit het voorgaande volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

1.2.        Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.        De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van S. van Dijk LLM, griffier.

w.g. Den Heyer

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Dijk

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026

967