Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 20 januari 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van…

Zaakgegevens

Op 4 mei 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
4 mei 2026
Datum publicatie
30 april 2026
Zaaknummer
BRS.25.001784
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2479
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 20 januari 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 6 oktober 2025

    ECLI:NL:RBDHA:2025:20529
  2. Raad van State · 4 mei 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2026:2479

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

BRS.25.001784

ECLI:NL:RVS:2026:2479

Datum uitspraak: 4 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 6 oktober 2025 in zaak nr. NL24.18991 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 2 april 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. P. Le Heux, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft op verzoek van de Afdeling een nader stuk ingediend.

Overwegingen

1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat de minister in het besluit van 2 april 2024 appellant het inburgeringsvereiste niet heeft tegengeworpen.

1.1.        Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de door appellant in de eerste grief opgeworpen vraag over het onderscheid naar nationaliteit bij inburgering in het buitenland niet nodig is voor de oplossing van de zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

1.2.        De tweede grief bevat geen vragen die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept de tweede grief geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).

2.        Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.

w.g. Kuijer

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Pronk

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2026

1028