Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 2 september 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie de aan appellant verleende…

Zaakgegevens

Op 12 mei 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12 mei 2026
Datum publicatie
8 mei 2026
Zaaknummer
BRS.26.001983
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2657
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 2 september 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie de aan appellant verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, ingetrokken.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 16 april 2026

    ECLI:NL:RBDHA:2026:9289
  2. Raad van State · 12 mei 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2026:2657

    Niet ontvankelijk

Uitspraak

BRS.26.001983

ECLI:NL:RVS:2026:2657

Datum uitspraak: 12 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 16 april 2026 in zaak nr. NL25.47539 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 2 september 2025 heeft de minister de aan appellant verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, ingetrokken.

Bij uitspraak van 16 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R.R. Raghoebir, rechtsbijstandsverlener in Den Haag, hoger beroep ingesteld.

Appellant heeft een nader stuk ingediend.

Overwegingen

1.        Appellant heeft bij brief van 21 april 2026 hoger beroep ingesteld en verzocht om een nadere termijn voor het indienen van gronden. Deze brief kan, voor zover appellant daarin stelt dat hij een rechtsmiddel aanwendt tegen de uitspraak van de rechtbank, slechts als een pro-formahogerberoepschrift worden beschouwd. Het verzoek om een nadere termijn valt buiten de wettelijke mogelijkheden. De hogerberoepstermijn liep tot en met 23 april 2026. Appellant heeft op 24 april 2026 alsnog gronden ingediend. Omdat de gronden buiten de hogerberoepstermijn van een week zijn binnengekomen, kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep (artikel 85, derde lid, van de Vw 2000). Er doen zich in dit geval geen Bahaddar-omstandigheden voor als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664.

2.        Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.

w.g. De Poorter

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Boon

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026

977