Vreemdelingenrecht
Bij besluiten van 18 augustus 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie de aanvragen van betrokkenen om…
Raad van State, 18 mei 2026
ECLI:NL:RVS:2026:2706 · Raad van State · 18 mei 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2026-2706
Zaakgegevens
Op 18 mei 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 18 mei 2026
- Datum publicatie
- 12 mei 2026
- Zaaknummer
- BRS.25.002601
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2706
Samenvatting
Bij besluiten van 18 augustus 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie de aanvragen van betrokkenen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Procesgang
Rechtbank Den Haag · 16 december 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:26073Raad van State · 18 mei 2026deze uitspraak
ECLI:NL:RVS:2026:2706
Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Uitspraak
BRS.25.002601
ECLI:NL:RVS:2026:2706
Datum uitspraak: 18 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 december 2025 in zaken nrs. NL25.39270 en NL25.39272 in het geding tussen:
[betrokkene 1] en [betrokkene 2], mede voor hun minderjarige zoon,
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluiten van 18 augustus 2025 heeft de minister de aanvragen van betrokkenen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 16 december 2025 heeft de rechtbank de daartegen door betrokkenen ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten vernietigd en bepaald dat de minister nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. In zijn hogerberoepschrift heeft de minister laten weten dat de uiterlijke termijn om betrokkenen over te dragen aan Bulgarije op 24 december 2025 verstreek. Het staat nu dus vast dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvragen. Gelet daarop rijst de vraag of de minister nog belang heeft bij een beoordeling van het hoger beroep.
1.1. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1412, onder 5.2, heeft een bestuursorgaan, indien de rechtbank een besluit van dat bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk heeft vernietigd, belang bij het hoger beroep, alleen al wegens de precedentwerking die van die vernietiging kan uitgaan.
1.2. In deze zaak is de vraag aan de orde of de minister voor Turkse asielzoekers in Bulgarije van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. In haar pilotuitspraak van 20 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2133, heeft de Afdeling deze vraag bevestigend beantwoord. Anders dan de minister aanvoert, werpt het hoger beroep daarom geen rechtsvraag op die moet worden beantwoord wegens zaaksoverstijgend belang of mogelijke precedentwerking in soortgelijke zaken. De minister heeft daarom geen belang bij een beoordeling van zijn hoger beroep.
2. De Afdeling verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.I.M. Smid, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Smid
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2026
1085