Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 13 januari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant een vrijheidsontnemende…

Raad van State, 13 mei 2026

Zaakgegevens

Op 13 mei 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13 mei 2026
Datum publicatie
13 mei 2026
Zaaknummer
202501310/1/V3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2717
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 13 januari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Uitspraak

202501310/1/V3.

Datum uitspraak: 13 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2025 in zaak nr. NL25.2415 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2025 heeft de minister appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Bij uitspraak van 27 februari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. C.E. Stassen-Buijs, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

1.1.    Het hoger beroep gaat over een rechtsvraag die de Afdeling eerder heeft beantwoord. De Afdeling verwijst daarbij naar haar uitspraak van 15 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:545, onder 3.1 tot en met 3.4, over de aanwijzing van een luchthaven in zijn geheel als grensdoorlaatpost en de vraag of een derdelander voor het daadwerkelijk verlaten van het Schengengebied bij de gate op een luchthaven in overeenstemming met de Schengengrenscode aan een toegangscontrole mag worden onderworpen. Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.

1.2.    Uit de hiervoor genoemde uitspraak volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van het daarin genoemde arrest van het Hof van Justitie van 5 februari 2020, J. e.a., ECLI:EU:C:2020:76, in samenhang bezien met de uitleg van de Afdeling van dat arrest. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 16 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

2.       De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Nouta, griffier.

w.g. Willems

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Nouta

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026

922