Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 23 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant een vrijheidsontnemende…

Zaakgegevens

Op 28 mei 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28 mei 2026
Datum publicatie
26 mei 2026
Zaaknummer
BRS.26.002144
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2987
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 23 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 22 april 2026

    ECLI:NL:RBDHA:2026:9773
  2. Raad van State · 28 mei 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2026:2987

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

BRS.26.002144

ECLI:NL:RVS:2026:2987

Datum uitspraak: 28 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 april 2026 in zaak nr. NL26.18986 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2026 heeft de minister appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Bij uitspraak van 22 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. F.W. Verweij, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 8 van de uitspraak van de rechtbank over.

1.1.        Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).

2.        De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier.

w.g. De Moor-van Vugt

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Kraak

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2026

1020