Vreemdelingenrecht

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een…

Raad van State, 11 juni 2026

Zaakgegevens

Op 11 juni 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11 juni 2026
Datum publicatie
9 juni 2026
Zaaknummer
BRS.26.001432
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:3308
E-mail

Samenvatting

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.

Uitspraak

BRS.26.001432

ECLI:NL:RVS:2026:3308

Datum uitspraak: 11 juni 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 24 februari 2026 in zaak nr. NL25.60290 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.

Bij uitspraak van 24 februari 2026 heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd, de minister opgedragen om alsnog een besluit te nemen, een dwangsom opgelegd en de minister veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 934,00.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M. Stoetzer-van Esch, advocaat in Lent, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.        Het hoger beroep gaat uitsluitend over de proceskostenvergoeding voor het instellen van een opvolgend beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Appellant klaagt over het oordeel van de rechtbank dat zij bij toekomstige opvolgende beroepen niet tijdig op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht wegingsfactor 0,25 ‘zeer licht’ en niet 0,5 ‘licht’ gaat toepassen. In het geval van appellant heeft de rechtbank echter nog wel wegingsfactor 0,5 toegepast, omdat er volgens de rechtbank in dit geval principiële rechtsvragen voorlagen die een wegingsfactor van 0,5 rechtvaardigde. Appellant heeft daarom geen belang bij het hoger beroep.

2.        Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

3.        De minister heeft een besluit genomen en is daarin geheel aan de aanvraag van appellant tegemoetgekomen. Appellant heeft niet laten weten het niet eens te zijn met dat besluit. Er is geen beroep van rechtswege ontstaan, als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Awb.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.

w.g. Verheij

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Boon

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2026

977