Vreemdelingenrecht

Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om zijn…

Raad van State, 7 januari 2026

Zaakgegevens

Op 7 januari 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
7 januari 2026
Datum publicatie
5 januari 2026
Zaaknummer
BRS.25.001791
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:34
E-mail

Samenvatting

Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om zijn gezinsleden een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 6 oktober 2025

    ECLI:NL:RBDHA:2025:18397
  2. Raad van State · 7 januari 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2026:34

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

BRS.25.001791

ECLI:NL:RVS:2026:34

Datum uitspraak: 7 januari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 oktober 2025, gewijzigd bij hersteluitspraak van 8 oktober 2025, in zaak nr. NL25.23599 in het geding tussen:

[betrokkene]

en

de minister.

Procesverloop

Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om zijn gezinsleden een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen.

Bij uitspraak van 6 oktober 2025, gewijzigd bij hersteluitspraak van 8 oktober 2025, heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd, bepaald dat de minister binnen vier weken alsnog een besluit op de aanvraag bekendmaakt, binnen acht weken als zij gelegenheid tot herstel van verzuimen biedt en binnen zestien dan wel twintig weken als zij heeft besloten tot nader onderzoek, en dat de minister aan betrokkene een dwangsom verbeurt van € 100,00 voor elke dag dat zij die termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,00.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. M.J.A. Bakker, advocaat in Den Haag, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

1.1.        Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 28 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5787, over artikel 1.27 van het Vb 2000 en de verlenging van de beslistermijn ingevolge de wet van 12 maart 2025 (Stb. 2025, 79) voor mvv-aanvragen in het kader van nareis die al waren ingediend voordat deze wet op 28 maart 2025 in werking is getreden). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.

2.        Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III.        bepaalt dat van de minister van Asiel en Migratie een griffierecht van € 579,00 wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.

w.g. Soffers

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Pronk

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2026

1028