Vreemdelingenrecht
Bij besluit van 3 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.
Raad van State, 16 juni 2026
ECLI:NL:RVS:2026:3412 · Raad van State · 16 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2026-3412
Zaakgegevens
Op 16 juni 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 16 juni 2026
- Datum publicatie
- 12 juni 2026
- Zaaknummer
- BRS.25.002660
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3412
Samenvatting
Bij besluit van 3 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.
Procesgang
Rechtbank Den Haag · 18 december 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:24418Raad van State · 16 juni 2026deze uitspraak
ECLI:NL:RVS:2026:3412
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
BRS.25.002660
ECLI:NL:RVS:2026:3412
Datum uitspraak: 16 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 december 2025 in zaak nr. NL25.59424 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 3 december 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 18 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R.C. van den Berg, advocaat in Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1. Het hoger beroep gaat namelijk onder meer over een rechtsvraag die de Afdeling eerder heeft beantwoord (uitspraak van 4 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2499, onder 1.1 tot en met 1.3, over het ontbreken van een plicht voor de minister om bij de uitvoering van een verwijderingsbesluit een refoulementbeoordeling te moeten maken).
1.2. Ook zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).
2. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. V.V. Essenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Nouta, griffier.
w.g. Essenburg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Nouta
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2026
922