Vreemdelingenrecht
Bij besluit van 5 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.
Raad van State, 24 juni 2026
ECLI:NL:RVS:2026:3573 · Raad van State · 24 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2026-3573
Zaakgegevens
Op 24 juni 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 24 juni 2026
- Datum publicatie
- 19 juni 2026
- Zaaknummer
- BRS.26.000975
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3573
Samenvatting
Bij besluit van 5 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.
Procesgang
Rechtbank Den Haag · 20 februari 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:4728Raad van State · 24 juni 2026deze uitspraak
ECLI:NL:RVS:2026:3573
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
BRS.26.000975
ECLI:NL:RVS:2026:3573
Datum uitspraak: 24 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[betrokkene],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 20 februari 2026 in zaak nr. NL26.6635 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 5 februari 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 20 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A.W.J. van der Meer, advocaat in Dordrecht, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de minister in de bewaringsmaatregel een refoulementbeoordeling had moeten maken. Dit, omdat er nog geen claimakkoord was op het claimverzoek dat de minister bij de Duitse autoriteiten had ingediend naar aanleiding van de asielaanvraag die appellant op 26 januari 2026 in Duitsland had gedaan. De minister had dus ook nog geen overdrachtsbesluit genomen, waarin hij moest beoordelen of de overdracht in strijd is met artikel 4 van het EU-Handvest. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 12 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3387.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). De Afdeling heeft in haar genoemde uitspraak van 12 juni 2026, onder 1.4, uitgelegd waarom zij geen aanleiding ziet om prejudiciële vragen te stellen.
2. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. Meijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026
47