Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 31 juli 2025 heeft het COA voor de duur van een week € 14,87 ingehouden van het aan appellant…

Zaakgegevens

Op 23 juni 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23 juni 2026
Datum publicatie
19 juni 2026
Zaaknummer
BRS.26.001699
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:3574
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 31 juli 2025 heeft het COA voor de duur van een week € 14,87 ingehouden van het aan appellant op de voet van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 toegekende leefgeld.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 10 maart 2026

    ECLI:NL:RBDHA:2026:7116
  2. Raad van State · 23 juni 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2026:3574

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

BRS.26.001699

ECLI:NL:RVS:2026:3574

Datum uitspraak: 23 juni 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 10 maart 2026 in zaak nr. 25/16958 in het geding tussen:

appellant

en

het Centraal Orgaan opvang asielzoekers.

Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2025 heeft het COA voor de duur van een week € 14,87 ingehouden van het aan appellant op de voet van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 toegekende leefgeld.

Bij uitspraak van 10 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S.J. Koolen, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 3, 4 en 9 van de uitspraak van de rechtbank over.

1.1.        Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).

2.        Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Het COA hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J. Luijendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier.

w.g. Luijendijk

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van den Oosterkamp

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026

941-1173