Vreemdelingenrecht

Raad van State · Hoger beroep · Vreemdelingenrecht

Zaakgegevens

Op 8 januari 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
8 januari 2026
Datum publicatie
5 januari 2026
Zaaknummer
BRS.25.001191
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:37
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Uitspraak

BRS.25.001191

ECLI:NL:RVS:2026:37

Datum uitspraak: 8 januari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 21 augustus 2025 in zaak nr. NL25.35884 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 4 augustus 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 21 augustus 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. C.F. Wassenaar, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

1.1.        Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 11 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5943, onder 4 tot en met 7.4, over de vraag wanneer de onrechtmatigheid van een eerdere maatregel van bewaring doorwerkt in een opvolgende maatregel van bewaring). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.

2.        De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.

w.g. Soffers

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Weber

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2026

846-1111