Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 9 juni 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant…

Raad van State, 1 juli 2026

Zaakgegevens

Op 1 juli 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
1 juli 2026
Datum publicatie
29 juni 2026
Zaaknummer
BRS.26.002032
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:3767
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 9 juni 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Uitspraak

BRS.26.002032

ECLI:NL:RVS:2026:3767

Datum uitspraak: 1 juli 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 27 maart 2026 in zaak nr. 24/17832, hersteld bij uitspraak van 9 april 2026, in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 24 oktober 2024 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 maart 2026, hersteld bij uitspraak van 9 april 2026, heeft de rechtbank dat besluit in stand gelaten.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. E. Tahitu, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.        Het hoger beroep richt zich niet tegen de uitspraak van de rechtbank. Appellant legt namelijk niet uit waarom de uitspraak van de rechtbank volgens hem niet juist is. Daarom kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep (artikel 85 van de Vw 2000).

2.        Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.

w.g. Sevenster

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Mercelina

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026

938-1173