Vreemdelingenrecht
Bij besluit van 6 maart 2025 heeft de minister de aan betrokkene verleende verblijfsvergunningen asiel voor…
Raad van State, 23 januari 2026
ECLI:NL:RVS:2026:383 · Raad van State · 23 januari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2026-383
Zaakgegevens
Op 23 januari 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 23 januari 2026
- Datum publicatie
- 21 januari 2026
- Zaaknummer
- BRS.25.002037
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:383
Samenvatting
Bij besluit van 6 maart 2025 heeft de minister de aan betrokkene verleende verblijfsvergunningen asiel voor onbepaalde en bepaalde tijd ingetrokken. Daarnaast heeft de minister bepaald dat betrokkene Nederland onmiddellijk moet verlaten en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.
Procesgang
Rechtbank Den Haag · 20 oktober 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:19764Raad van State · 23 januari 2026deze uitspraak
ECLI:NL:RVS:2026:383
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
BRS.25.002037
ECLI:NL:RVS:2026:383
Datum uitspraak: 23 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 oktober 2025 in zaak nr. NL25.15066 in het geding tussen:
[betrokkene],
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 6 maart 2025 heeft de minister de aan betrokkene verleende verblijfsvergunningen asiel voor onbepaalde en bepaalde tijd ingetrokken. Daarnaast heeft de minister bepaald dat betrokkene Nederland onmiddellijk moet verlaten en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 20 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 6 maart 2025 vernietigd.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. E. Berger, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De minister is in de gelegenheid gesteld om zich nader uit te laten.
Overwegingen
1. De termijn voor het instellen van het hoger beroep eindigde op 17 november 2025. Het hogerberoepschrift is daarna bij de Raad van State binnengekomen. De Afdeling heeft op 17 november 2025 de uitspraak van de rechtbank ontvangen. Op 24 november 2025 is het hogerberoepschrift binnengekomen via Veilig Mailen. De minister heeft het hogerberoepschrift daarom niet op tijd ingediend. Wat de minister heeft aangevoerd, is geen reden om het hoger beroep alsnog in behandeling te nemen. Hieruit blijkt namelijk niet dat de minister daadwerkelijk tijdig hoger beroep heeft ingesteld.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.T. Gazai, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Gazai
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2026
966