Vreemdelingenrecht
Bij uitspraak van 12 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond…
Raad van State, 14 juli 2026
ECLI:NL:RVS:2026:4034 · Raad van State · 14 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2026-4034
Zaakgegevens
Op 14 juli 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 14 juli 2026
- Datum publicatie
- 10 juli 2026
- Zaaknummer
- BRS.26.003058
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4034
Samenvatting
Bij uitspraak van 12 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitspraak
BRS.26.003058
ECLI:NL:RVS:2026:4034
Datum uitspraak: 14 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 12 juni 2026 in zaak nr. NL26.30273 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 29 mei 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 12 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R. Deniz, advocaat in Breda, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De minister heeft betrokkene in bewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vw 2000 (Dublinbewaring). Appellant komt in zijn enige grief tevergeefs op tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister in een maatregel op deze grondslag geen refoulementbeoordeling hoeft te maken.
1.1. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 12 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3387, namelijk geoordeeld dat dat in ieder geval niet hoeft als de minister nog geen overdrachtsbesluit heeft genomen op het moment dat hij de maatregel oplegt. Dat is ook in deze zaak het geval.
1.2. De Afdeling heeft in haar genoemde uitspraak van 12 juni 2026, onder 1.4, uitgelegd waarom zij geen aanleiding ziet om in een geval als dat van appellant prejudiciële vragen te stellen.
1.3. De grief slaagt niet.
2. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J. Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kraak
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2026
1020