Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 5 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld. Bij…

Raad van State, 28 januari 2026

Zaakgegevens

Op 28 januari 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28 januari 2026
Datum publicatie
26 januari 2026
Zaaknummer
BRS.26.000062
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:419
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 5 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld. Bij besluit van 15 december 2025 heeft de minister de termijn van de aan betrokkene opgelegde maatregel van bewaring verlengd met ten hoogste drie maanden.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 30 december 2025

    ECLI:NL:RBDHA:2025:25479
  2. Raad van State · 28 januari 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2026:419

    Meerdere afhandelingswijzen

Uitspraak

BRS.26.000062

ECLI:NL:RVS:2026:419

Datum uitspraak: 28 januari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 30 december 2025 in zaak nr. NL25.61247 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 5 december 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld. Bij besluit van 15 december 2025 heeft de minister de termijn van de aan betrokkene opgelegde maatregel van bewaring verlengd met ten hoogste drie maanden.

Bij uitspraak van 30 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.J.A. Rinkes, advocaat in Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.        De uitspraak van de rechtbank gaat onder meer over het verlengen van de maatregel van bewaring (artikel 59b, derde lid, van de Vw 2000). Hiertegen kan geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000).

2.        De Afdeling is in zoverre onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.

3.        Het hoger beroep richt zich voor het overige niet tegen de uitspraak van de rechtbank. Appellant legt namelijk niet uit waarom de uitspraak van de rechtbank volgens hem niet juist is. Daarom kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep (artikel 85 van de Vw 2000).

4.        Het hoger beroep is in zoverre niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen, voor zover dat is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank over het verlengen van de maatregel van bewaring;

II.        verklaart het hoger beroep voor het overige niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.

w.g. Sevenster

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van de Kolk

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026

347-