Vreemdelingenrecht
Bij besluit van 26 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld. Bij…
ECLI:NL:RVS:2026:4204 · Raad van State · 21 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2026-4204
Zaakgegevens
Op 21 juli 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 21 juli 2026
- Datum publicatie
- 16 juli 2026
- Zaaknummer
- BRS.26.001775
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4204
Samenvatting
Bij besluit van 26 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 9 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A.M.V. Bandhoe, advocaat in Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Procesgang
Rechtbank Den Haag · 9 april 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:8386Raad van State · 21 juli 2026deze uitspraak
ECLI:NL:RVS:2026:4204
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
BRS.26.001775
ECLI:NL:RVS:2026:4204
Datum uitspraak: 21 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 9 april 2026 in zaak nr. NL26.17536 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 26 maart 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 9 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A.M.V. Bandhoe, advocaat in Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.
2. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 4 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:230, onder 3.1, volgt uit de bewoordingen van artikel 8, derde lid, aanhef en onder b, van de Opvangrichtlijn, "om gegevens te verkrijgen die ten grondslag liggen aan het verzoek […]", dat deze grondslag, die is omgezet in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, is bedoeld voor de duur van de behandeling van het asielverzoek, tot aan de beslissing daarop door de minister. Anders dan appellant onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 6 september 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:14301, betoogt, kan ook na het indienen van de zienswijze nog aanleiding bestaan tot het instellen van nader onderzoek of het verkrijgen van nadere noodzakelijke gegevens, die bij de beoordeling van de asielaanvraag moeten worden betrokken.
2.2. Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
3. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.S. Jiawan, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Jiawan
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2026
1017