Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 15 december 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid appellant opgedragen de…

Zaakgegevens

Op 17 juli 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17 juli 2026
Datum publicatie
17 juli 2026
Zaaknummer
202400134/1/V3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4218
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 15 december 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten.

Uitspraak

202400134/1/V3.

Datum uitspraak: 17 juli 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 8 december 2023 in zaak nr. NL23.14789 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten.

Bij besluit van 19 april 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij datzelfde besluit heeft hij vermeld dat appellant inzake terugkeer in het Schengeninformatiesysteem gesignaleerd wordt.

Bij uitspraak van 8 december 2023 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.J.A. Bakker, advocaat in Voorburg, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een nader stuk ingediend.

Overwegingen

1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

1.1. Het hoger beroep gaat namelijk onder meer over de rechtsvraag of er voorafgaand aan een signalering inzake terugkeer een evenredigheidsbeoordeling plaats moet vinden en die de Afdeling vandaag in een andere uitspraak, ECLI:NL:RVS:2026:4168, onder 7.1 tot en met 7.4, heeft beantwoord. Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.

1.2. Voor het overige roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).

2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.

w.g. De Poorter

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van de Kolk

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026

347-1111