Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 30 april 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

Zaakgegevens

Op 24 juli 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24 juli 2026
Datum publicatie
22 juli 2026
Zaaknummer
BRS.26.002556
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4313
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 30 april 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

Uitspraak

BRS.26.002556

ECLI:NL:RVS:2026:4313

Datum uitspraak: 24 juli 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[betrokkene],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 18 mei 2026 in zaak nr. NL26.24581 in het geding tussen:

[betrokkene]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 30 april 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 18 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. E. Schoneveld, advocaat in Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.        Wat appellant in de eerste en tweede grief aanvoert over de ondertekening van de maatregel, de in het voortraject geconstateerde gebreken, de daaropvolgende belangenafweging en de vraag of een lichter middel dan bewaring had moeten worden toegepast, kan niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank leiden. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven in zoverre geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.        Appellant klaagt in de tweede grief wel terecht dat de rechtbank de minister ten onrechte niet heeft veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank heeft namelijk overwogen dat aan het voortraject twee gebreken kleven. Appellant is op een onjuiste grondslag opgehouden en de minister heeft na het gebruik van een niet beëdigde tolk, geen Verklaring Omtrent het Gedrag overhandigd. De rechtbank had daarom aanleiding moeten zien om de minister te veroordelen in de proceskosten, omdat deze gebreken betrekking hebben op de staandehouding, overbrenging of ophouding. De rechtbank heeft dat ten onrechte niet gedaan. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraken van 15 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1544, en van 26 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1650, onder 2.2.

2.1.        De tweede grief slaagt in zoverre.

3.        De Afdeling ziet ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Ook zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31). Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover zij de minister niet heeft veroordeeld in de proceskosten. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige. De minister moet de proceskosten die de rechtbank in beroep ten onrechte niet heeft toegekend en de proceskosten van het hoger beroep vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 18 mei 2026 in zaak nr. NL26.24581, voor zover zij heeft nagelaten de minister van Asiel en Migratie te veroordelen tot vergoeding van bij appellant opgekomen proceskosten;

III.        bevestigt die uitspraak voor het overige;

IV.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M Vos, griffier.

w.g. Soffers

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Vos

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2026

644-1182