Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 11 juli 2024 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning…

Zaakgegevens

Op 27 juli 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27 juli 2026
Datum publicatie
23 juli 2026
Zaaknummer
BRS.26.002753
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4327
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 11 juli 2024 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 9 november 2025 heeft de minister het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 7 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 7 mei 2026

    ECLI:NL:RBDHA:2026:10884
  2. Raad van State · 27 juli 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2026:4327

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

BRS.26.002753

ECLI:NL:RVS:2026:4327

Datum uitspraak: 27 juli 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 mei 2026 in zaak nr. NL25.54958 in het geding tussen:

[betrokkene]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2024 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 9 november 2025 heeft de minister het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. J.P. Sanchez Montoto, advocaat in Zaandam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

1.1.        De rechtbank heeft namelijk een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek geconstateerd. De minister komt daartegen in hoger beroep op terwijl dat gebrek zich, los van de vraag wat de uitkomst van de nieuwe besluitvorming moet zijn, eenvoudig laat herstellen. Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).

2.        Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III.        bepaalt dat van de minister van Asiel en Migratie een griffierecht van € 596,00 wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.

w.g. Kuijer

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Boon

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2026

977