Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 14 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem…

Zaakgegevens

Op 30 juli 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30 juli 2026
Datum publicatie
28 juli 2026
Zaaknummer
BRS.26.001490
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4383
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 14 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Uitspraak

BRS.26.001490

ECLI:NL:RVS:2026:4383

Datum uitspraak: 30 juli 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 23 maart 2026 in zaak nr. NL25.56026 in het geding tussen:

[betrokkene]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 14 november 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 23 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. M. Rasul, advocaat in Assen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

1.        De door de minister in zijn enige grief opgeworpen rechtsvraag over de toegang tot opvangvoorzieningen voor Dublinclaimanten en het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Slovenië, heeft de Afdeling beantwoord in haar uitspraak van 29 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4375, onder 5.1. Uit die uitspraak volgt dat de grief slaagt.

2.        Het hoger beroep is gegrond. Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 23 maart 2026 in zaak nr. NL25.56026;

III.        verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.

w.g. Ristra-Peeters

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Dallinga

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2026

18-1102