Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 17 juni 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkene in vreemdelingenbewaring gesteld.

Zaakgegevens

Op 7 augustus 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
7 augustus 2026
Datum publicatie
5 augustus 2026
Zaaknummer
BRS.26.003418
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4614
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 17 juni 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkene in vreemdelingenbewaring gesteld.

Uitspraak

BRS.26.003418

ECLI:NL:RVS:2026:4614

Datum uitspraak: 7 augustus 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 29 juni 2026 in zaak nr. NL26.33873 in het geding tussen:

[de betrokkene]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2026 heeft de minister betrokkene in vreemdelingenbewaring gesteld.

Bij uitspraak van 29 juni 2026 heeft de rechtbank het met een kennisgeving daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, aan betrokkene schadevergoeding toegekend en de minister veroordeeld tot betaling van € 1.868,00 aan proceskosten aan betrokkene.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. H. Postma, advocaat in Groningen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De minister is in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten.

Overwegingen

1.        De Afdeling stelt vast dat de rechtbank de uitspraak heeft uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 29 juni 2026 en niet op 30 juni 2026, zoals partijen hebben aangenomen. Dit betekent dat de termijn voor het instellen van het hoger beroep eindigde op 6 juli 2026. Het hogerberoepschrift is daarna, op 7 juli 2026, ingediend en bij de Raad van State binnengekomen. Dat is een dag te laat. De minister heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid redenen aan te voeren waarom het hoger beroep toch in behandeling moet worden genomen.

2.        Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.

w.g. Sevenster

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Dallinga

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2026

18