Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 23 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een…

Zaakgegevens

Op 13 augustus 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13 augustus 2026
Datum publicatie
11 augustus 2026
Zaaknummer
BRS.26.003918
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4702
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 23 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld.

Uitspraak

BRS.26.003918

ECLI:NL:RVS:2026:4702

Datum uitspraak: 13 augustus 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 17 juli 2026 in zaak nr. NL26.5169 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld.

Bij uitspraak van 17 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.

Appellant is in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten.

Overwegingen

1.        De termijn voor het instellen van het hoger beroep eindigde op 24 juli 2026. Uw hogerberoepschrift is daarna bij de Raad van State binnengekomen. U heeft het hogerberoepschrift daarom niet op tijd ingediend. Wat u als reden voor de late indiening heeft aangevoerd, is geen reden om het hoger beroep alsnog in behandeling te nemen. Er doen zich in uw geval geen Bahaddar-omstandigheden voor als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664.

2.        Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. van Vulpen, griffier.

w.g. Sevenster

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Vulpen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2026

1073