Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 26 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om…

Zaakgegevens

Op 14 augustus 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14 augustus 2026
Datum publicatie
12 augustus 2026
Zaaknummer
BRS.26.001033
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4758
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 26 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om appellant een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 2 februari 2026

    ECLI:NL:RBDHA:2026:3843
  2. Raad van State · 14 augustus 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2026:4758

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

BRS.26.001033

ECLI:NL:RVS:2026:4758

Datum uitspraak: 14 augustus 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak strekkende tot vervallenverklaring van de uitspraak van 24 juni 2026 in zaak nr. BRS.26.001033, ECLI:NL:RVS:2026:3597, en het opnieuw beslissen op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 februari 2026 in zaak nr. NL25.47546 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om appellant een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 10 september 2025 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. L. Leenders, advocaat in Den Haag, hoger beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 24 juni 2026 heeft de Afdeling het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard.

Appellant heeft een nader stuk ingediend.

Overwegingen

1.        In de uitspraak van 24 juni 2026 heeft de Afdeling het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij niet binnen de daarvoor gestelde termijn het griffierecht heeft betaald en niet heeft gereageerd op het schriftelijke verzoek van de Afdeling om toe te lichten waarom zij het griffierecht niet heeft betaald. Na de uitspraak van 24 juni 2026 heeft referent in deze procedure de Afdeling telefonisch laten weten dat hij namens appellant het griffierecht heeft betaald binnen de daarvoor gestelde termijn. Referent heeft als bewijs hiervan een bankafschrift overgelegd. Naar aanleiding hiervan heeft de Afdeling intern onderzoek gedaan. Hieruit is gebleken dat referent in zijn betaalopdracht niet de naam van appellant en het zaaknummer heeft vermeld, waardoor de Afdeling de betaling van referent niet in verband heeft kunnen brengen met deze zaak. Omdat appellant met het overgelegde bankafschrift aannemelijk heeft gemaakt dat zij het griffierecht binnen de daarvoor geldende termijn heeft betaald, heeft de Afdeling het door appellant ingestelde hoger beroep achteraf bezien ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De Afdeling ziet in dit specifieke geval daarom aanleiding om de uitspraak van 24 juni 2026 ambtshalve vervallen te verklaren en opnieuw uitspraak te doen.

2.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).

3.        Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart de uitspraak van 24 juni 2026 in zaak nr. BRS.26.001033, ECLI:NL:RVS:2026:3597, vervallen;

II.        bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.

w.g. Sevenster

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Mercelina

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2026

938-1173